| S Q U A S
H DE
REGELS VOOR HET ENKELSPEL
12. HINDEREN
12.1 De speler die
aan de beurt is om de bal te slaan mag geen hinder van de
tegenstander ondervinden.
12.2 Om hinderen te
voorkomen, moet de tegenstander alle moeite doen om de
speler:
12.2.1 niet te
hinderen bij diens poging om rechtstreeks bij de bal
te komen.
12.2.2 afdoende
zicht op de bal te geven.
12.2.3 de
vrijheid te geven de bal te spelen.
12.2.4 de
vrijheid te geven om de bal rechtstreeks naar elk
gedeelte van de voormuur te spelen.
12.3 Wanneer een
speler niet voldoet aan één van de bepalingen van Regel
12.2, of die speler nu alle moeite gedaan heeft of
niet om het hinderen te voorkomen, dan is er sprake
van hinderen.
R7*
Kanttekeningen voor de scheidsrechter
A. In 12.2.1 moet
de tegenstander alle moeite doen om uit de weg te
gaan van de speler die rechtstreeks naar de bal wil
gaan, zodra de tegenstander zijn slag met een
redelijke uitzwaai van het racket voltooid heeft. De
speler moet ook alle moeite doen om naar de bal te
gaan.
B. Het afdoende
zicht op de bal, dat bij Regel 12.2.2 wordt genoemd,
is alleen van toepassing, nadat de bal op de voormuur
heeft gestuit.
R8 C.
De vrijheid om de bal te spelen, genoemd bij Regel
12.2.3, betekent dat de tegenstander de speler de
ruimte moet geven om een zwaai met het racket te
maken, en wel een redelijke achterzwaai, een slag
tegen de bal en een redelijke uitzwaai.
Het hinderen dat
ontstaat door een overdreven grote achterzwaai van
een speler kan niet resulteren in het toekennen van
de rally aan die speler.
De overdreven grote
uitzwaai van een speler kan de tegenstander hinderen,
als die op zijn beurt de bal wil gaan spelen.
12.4 Een speler die
naar zijn mening misschien gehinderd zal gaan worden,
heeft de keus of door te spelen of te stoppen en te
appelleren bij de scheidsrechter.
R9
12.4.1 De correcte methode om te appelleren, als
de speler denkt dat er een let toegestaan of een
stroke toegekend kan worden, is met de
woorden "Let please".
R4
12.4.2 Alleen de speler (degene die aan de beurt
is om de bal te slaan) mag appelleren. Er moet of
onmiddellijk bij het hinderen ge-appelleerd worden of
wanneer de speler duidelijk stopt met spelen na het
hinderen, zonder onnodig uitstel.
12.5 De
scheidsrechter dient een beslissing te nemen op het
'appeal' en dient zijn beslissing kenbaar te maken met de
woorden "No let", "Yes let"
of "Stroke to (naam speler)".
Bij het beoordelen van de
situatie is uitsluitend de mening van de scheidsrechter
van belang en de beslissing van de scheidsrechter is
onherroepelijk.
De scheidsrechter dient
geen let toe te staan en de speler zal de rally
verliezen, als:
12.6.1 er geen
sprake was van hinderen.
12.6.2 er wel
sprake van hinderen was, maar de speler of niet in staat
zou zijn geweest een correcte bal te slaan, of niet
voldoende moeite deed om bij de bal te komen.
12.6.3 de speler
duidelijk het hinderen accepteerde en doorspeelde.
R11
12.6.4 de speler het hinderen veroorzaakte bij het
gaan naar de bal.
12.7 De
scheidsrechter dient een let toe te staan wanneer er
sprake was van hinderen, terwijl de tegenstander alle
moeite deed om dat te voorkomen en de speler de bal
correct had kunnen spelen.
12.8 De
scheidsrechter dient de speler de rally toe te kennen
als:
12.8.1 er werd
gehinderd en de tegenstander niet alle moeite deed om
dat te voorkomen en de speler in staat was geweest om
een correcte bal te slaan.
12.8.2 er werd
gehinderd, de tegenstander alle moeite deed om dat te
voorkomen, maar de speler in staat was geweest om een
winnende bal te slaan.
12.8.3 de
speler ervan afzag de bal te spelen omdat de bal in
een directe lijn naar de voormuur de tegenstander
duidelijk geraakt zou hebben; of naar de zijmuur,
maar dan zou van een winnende bal sprake moeten zijn
geweest (in beide gevallen tenzij er sprake was van
"omdraaien" (Regel 9.2) of van een tweede
of verdere poging).
12.9 De
scheidsrechter mag ook een let toestaan volgens Regel
12.7 of een rally toekennen volgens Regel 12.8 zonder dat
er een 'appeal' was, en waar nodig het spel stil leggen
om dat te doen.
12.10 De bepalingen
in Regel 17, Gedrag Op De Baan, mogen worden toegepast
als er gehinderd wordt.
De scheidsrechter dient
het spel stil te leggen als dat nog niet gestopt is en
een gepaste straf toe te passen als:
R12
12.10.1 de speler onnodig lichamelijk contact met
de tegenstander veroorzaakte of omgekeerd.
12.10.2 de
speler de tegenstander in gevaar bracht met een
overdreven grote zwaai van het racket.

Designed by InterNet Design
|